Bekescsaba
Van dit Hongaars
stadje kan ik me wel iets herinneren:
bloesembomen langs een riviertje, speelse flatblokken,
dat alle restaurants door fastfood ketens vervangen waren
en dat je in het zwembad ondanks het vuile water
achterover sloeg van passerende schoonheden.
Ik herinner me
de vogel die tegen het raam vloog
toen ik haar vroeg wat ze zou willen drinken.
Dat ik ’s nachts niet slapen kon in het verslonsde appartement
omdat er een krekel in de verwarmingsbuis zat.
Dat die krekel,
op de een of andere manier, uitgroeide
tot een soort leidraad waaraan een verloren liefde
te herkennen viel. Je gaat bijvoorbeeld denken:
misschien houdt dat rotbeest wel op als wij
het bed delen, misschien is de wasmachine
waarmee zij het
badwater warmt omdat ze bang is
de huisbaas te vertellen dat de geiser stuk is
wel een of ander symbool waarin ik de vuile was
van mijn eenzame jaren kwijt kan.
Ik ben maar met
de huisbaas gaan praten.
Beter gezegd: zij praatte, ik speelde rijke
westerling die net moet doen alsof
hij de bloesembomen nooit zag die als wachters
langs het krommende riviertje prijken.
En de aanblik
van mijn goed gevulde buik
had overtuigingskracht. Diezelfde nacht nog
stalen we wat bloemen uit zijn tuin en
het oranje jurkje wat ik haar op de markt kocht,
wat haar vriend niet mocht zien, hing
de volgende morgen te drogen aan de waslijn.
Ik hoor dat ze
nu weer alleen is en haar dagen
verbrengt met het schikken van bloemen.
Dat niemand haar meer slaat. Dat ze,
hoewel ze meer dan tien uur per dag werken moet
soms nog aan me denkt en zo gelukkig raakt.
M.H.Benders