Het onbetaalbare gezicht
Met mijn vrouw aan de hand beloop ik soms de wegen,
langs grauwe bomen die statig nog hun blaadjes wegen.
In de linkerschop een krant, de rechter klemmend om haar hand;
op haar groene regenjas spookt de oude stad ons tegen.
Straatverlichting
in de regen langs de pas gesloten bar
waar ze 's ochtends nu de straat niet vegen, het vuil
maakt bezemwagens door de war. Dichtgetimmerde ruiten,
kruideniers die de zaak van hun vaders sluiten,
we lopen eraan
voorbij als zovaak, en net vandaag
knijp je even in mijn hand; niet hard maar hard genoeg
om me te doen ontwaken uit het gesluimer der sloopkogels
(perpetuum mobilé van het stadsgezicht - waar was ik?)
in je nat gezicht:
ik zie het meisje van weleer weer hopen
op de lichten van een stad waar je de schaduw niet kon kopen.
Waar is toch de schaarste heen, het onbetaalbare gezicht
van de vrijers die ontkwamen uit dit makelaarsgesticht.