Laatste avondmaal
Ik zet mijn t.v.
aan.
Opnieuw geen orkaan.
Het is lekker rustig hollands moerasweer.
Jomanda straalt, als een rechtgeaarde
Dodewaardvlieg gewoon door: zij weet
dat het allemaal vaag moet blijven.
In een moeras
kun je enkel overleven,
door de kikker in te fluisteren
dat zijn dril niet slijmproof is.
Dat de genezing kurkdroog
achter het oor van de pastoor ligt en
je enkel hoeft te blazen
als Jezus lekt.
Alweer een laatste
avondmaal.
Ik trek mijn schoenen uit,
en poets mijn kinderen tot
ze blinken als wilde dieren.
Dan val ik om
met een boek,
een boek waarin engelen ballonnen tekenen.
Het zijn feestbeesten,
met valse baarden.
Ze spannen samen met de pepernootruiter.
Er is niets wat ik kan doen, ik zwerf langs
twintig speelgoedeeuwen zonder brood.
Dan eet ik het
boek op.
Ik eet het allemaal op.
De leeuwen, de muren, de giraffes.
Ik geloof er helemaal niks van
dat zo’n dikzak een trap opklom
's morgens vroeg om kwart over zeven.
De horens van
het beest
strijken langs mijn geflost gebit
en hij knabbelt snel het laatste blad
van het bonzaiboompje op tafel
voor hij in mijn maag verdwijnt.
‘Weet jij
wel hoe laat het is, dikkertje?’
De man die bij mij aanbelt
ziet slechts boekenhaat in mijn ogen.
Ik zet mijn t.v.
weer aan.
Ik heb nog steeds honger.
Ik vervang masochistisch
de veters in mijn schoenen.
Ik ben Dikkertje
Jezus de Dap.
Ik kam mijn haar, en spoel de wasbak uit
die als verschuimd suikerschedeltje
tegen onbeschreven muren hinkt.
M.H.Benders